2.19. Wie denkt dat deze innerlijke bewoner de doder is, en wie denkt dat hij gedood wordt – beiden kennen hem niet werkelijk; want hij doodt noch wordt hij gedood.
Commentaar: ‘Wie hem als de doder kent’ – wie deze innerlijke bewoner beschouwt als de doder, kent hem niet juist. De reden is dat er geen handelingsbekwaamheid is in de innerlijke bewoner. Zoals een vakman, hoe vaardig ook, geen werk kan verrichten zonder gereedschap, zo kan ook deze innerlijke bewoner niets uit zichzelf doen zonder het lichaam. Daarom heeft de Heer in het dertiende hoofdstuk gezegd dat alle handelingen door Prakriti (de Natuur) alleen worden verricht – wie dit beseft, beseft de niet-handelingsbekwaamheid van de innerlijke bewoner (13.29). De betekenis is dat er geen handelingsbekwaamheid is in het lichaam, maar deze innerlijke bewoner identificeert zich met het lichaam en vormt er een relatie mee, en beschouwt zichzelf daardoor als de handelende van de door het lichaam verrichte handelingen. Als hij geen relatie vormt met het lichaam, dan is hij niet de handelende van welke handeling dan ook.
‘En wie denkt dat hij gedood wordt’ – wie hem beschouwt als gedood, kent hem evenmin juist. Zoals deze innerlijke bewoner niet de doder is, zo is hij ook niet onderhevig aan gedood worden; omdat er in hem nooit enige verandering plaatsvindt. Dat waarin verandering plaatsvindt, waarin er wijziging is – dat wil zeggen, dat wat onderhevig is aan geboorte en vernietiging – alleen dát kan gedood worden.
‘Beiden kennen hem niet; hij doodt noch wordt hij gedood’ – beiden kennen hem niet, wat betekent dat wie deze innerlijke bewoner als de doder beschouwt hem niet juist kent, en wie hem als onderhevig aan gedood worden beschouwt hem evenmin juist kent.
Hier rijst een vraag: Kent hij die deze innerlijke bewoner beschouwt als zowel de doder als de gedode hem dan juist? Het antwoord is dat ook hij hem niet juist kent. De reden is dat deze innerlijke bewoner in werkelijkheid niet zo is. Hij is noch de vernietiger, noch onderhevig aan vernietiging. Hij blijft eeuwig en voortdurend hetzelfde, zonder verandering. Daarom behoort men niet te treuren om deze innerlijke bewoner.
Aangezien de context voor Arjuna die van oorlog is, wordt hier de innerlijke bewoner beschreven als verstoken van de handelingen van doden en gedood worden. In waarheid is hij verstoken van alle handelingen.
Verband: Als antwoord op de vraag waarom deze innerlijke bewoner niet onderhevig is aan gedood worden, wordt gezegd...
★🔗