2.64. Toelichting – Het woord 'tu' (maar) wordt hier gebruikt om het onderwerp van dit vers te onderscheiden van dat van het vorige. In het vorige vers stelde de Heer dat louter contemplatie over zintuiglijke objecten met gehechtheid tot ondergang leidt, terwijl Hij hier zegt dat omgaan met zintuiglijke objecten zonder gehechtheid tot verheffing leidt. Daar werd de vernietiging van het intellect beschreven; hier wordt beschreven hoe het intellect gevestigd raakt in het Hoogste Zelf.
'Vidheyātmā' – Het innerlijk wezen (antahkarana) van de aspirant moet onder zijn controle staan. Zonder het innerlijk wezen onder controle te brengen, wordt volmaaktheid in Karma Yoga niet bereikt; integendeel, tijdens het uitvoeren van handelingen blijft de mogelijkheid bestaan gehechtheid aan zintuiglijke objecten te ontwikkelen en ondergang tegemoet te gaan. In waarheid is het essentieel voor elke aspirant om het innerlijk wezen onder controle te houden. Voor een Karma Yogi is dit bijzonder noodzakelijk.
'Ātmavashyaiḥ rāgadveshaviyuktaiḥ indriyaiḥ' – Zoals de term 'Vidheyātmā' impliceert dat het innerlijk wezen onder controle wordt gebracht, zo impliceert de term 'Ātmavashyaiḥ' dat de zintuigen onder controle worden gebracht. De betekenis is dat tijdens wereldlijke handelingen de zintuigen onder iemands controle moeten staan, en om de zintuigen gecontroleerd te houden, is het essentieel dat ze vrij zijn van gehechtheid en afkeer. Daarom mogen de zintuigen geen object met gehechtheid grijpen, noch mogen ze een object met afkeer verzaken. De reden is dat het grijpen of verzaken van objecten niet zo belangrijk is als ervoor te zorgen dat gehechtheid en afkeer niet in de zintuigen ontstaan. Daarom waarschuwde de Heer de aspirant in het vierendertigste vers van het derde hoofdstuk: "Gehechtheid en afkeer huizen in elk zintuig ten opzichte van zijn objecten. De aspirant mag niet onder hun invloed komen, want beide zijn zijn vijanden." In het derde vers van het vijfde hoofdstuk zei de Heer: "Die aspirant die vrij wordt van dualiteiten zoals gehechtheid en afkeer, wordt met gemak bevrijd."
'Vishayān charan' – De aspirant wiens innerlijk wezen onder zijn controle staat, en wiens zintuigen vrij zijn van gehechtheid en afkeer en onder zijn controle staan, zo'n aspirant gaat inderdaad om met zintuiglijke objecten via de zintuigen, d.w.z. verricht allerlei wereldlijke handelingen, maar hij geniet niet van de zintuiglijke objecten. Omgaan met zintuiglijke objecten met de mentaliteit van genot alleen wordt de oorzaak van ondergang. Het is om deze mentaliteit van genot te ontkennen dat de termen 'Vidheyātmā', 'Ātmavashyaiḥ', enz. hier worden gebruikt.
'Prasādam adhigachchhati' – Door om te gaan met zintuiglijke objecten zonder gehechtheid en afkeer, bereikt de aspirant sereniteit (zuiverheid) van het innerlijk wezen. Deze sereniteit is mentale ascese (Gita 17.16), die superieur is aan fysieke en verbale ascese. Daarom zou een aspirant noch met gehechtheid moeten omgaan met zintuiglijke objecten, noch ze met afkeer moeten verzaken; omdat zowel gehechtheid als afkeer iemand aan de wereld binden.
De sereniteit die ontstaat uit het omgaan met zintuiglijke objecten via zintuigen vrij van gehechtheid en afkeer, indien niet gekoesterd of genoten, leidt die sereniteit naar het bereiken van het Hoogste Zelf.
'Prasāde sarvaduhkhānāṁ hānir asyopajāyate' – Bij het bereiken van sereniteit (zuiverheid) van geest, worden alle smarten vernietigd, wat betekent dat er geen smart overblijft. De reden is dat gehechtheid alleen leed in de geest veroorzaakt. Zodra leed ontstaat, wordt verlangen geboren, en uit verlangen ontstaan alle smarten. Maar wanneer gehechtheid wordt uitgeroeid, ontstaat sereniteit in de geest. Door die sereniteit worden alle smarten vernietigd.
Alle smarten zonder uitzondering ontstaan uitsluitend uit de verbinding met de natuur en haar effecten—het lichaam en de wereld—en verbinding met het lichaam en de wereld ontstaat uit het verlangen naar genot. Het verlangen naar genot ontstaat uit leed. Maar wanneer sereniteit ontstaat, wordt leed vernietigd. Met de vernietiging van leed houdt het verlangen naar genot op. Wanneer het verlangen naar genot ophoudt, houdt de verbinding met het lichaam en de wereld op. Met het ophouden van de verbinding treedt de volledige afwezigheid van alle smarten op—'sarvaduhkhānāṁ hāniḥ.' De betekenis is dat uit sereniteit twee dingen gebeuren: het verbreken van de verbinding met de wereld en de standvastigheid van het intellect in het Hoogste Zelf. Dit is wat de Heer eerder in het drieënvijftigste vers stelde met de woorden 'nishchalā' en 'achalā'—dat zijn intellect onbeweeglijk wordt betreffende de wereld en onwankelbaar betreffende het Hoogste Zelf.
Hier betekent 'sarvaduhkhānāṁ hāniḥ' niet dat smartvolle omstandigheden zich niet voor hem zullen voordoen; het betekent veeleer dat volgens zijn karma smartvolle gebeurtenissen of omstandigheden zich voor hem kunnen voordoen, maar in zijn innerlijk wezen kunnen smart, angst, agitatie of enige dergelijke verstoring niet ontstaan.
'Prasannachetaso hyāśhu buddhiḥ paryavatiṣhṭate' – Het intellect van iemand met een serene (zuivere) geest wordt zeer snel stevig gevestigd in het Hoogste Zelf, wat betekent dat de aspirant zelf gevestigd raakt in het Hoogste Zelf; er blijft niet de geringste twijfel over in zijn intellect.
**De Essentiële Punt** – Of het nu sereniteit betreft ten opzichte van de Heer of angst (ten opzichte van Hem)—als een van deze twee sterk intensiveert, leidt dit snel tot het bereiken van het Hoogste Zelf. Bijvoorbeeld, toen de Gopī's, terwijl ze naar de Heer gingen, werden tegengehouden en opgesloten in hun huizen door hun ouders, broers, echtgenoten, enz., vernietigde de angst die ze voelden omdat ze de Heer niet konden ontmoeten hun zonden, en de sereniteit die ze voelden door contemplatie op de Heer vernietigde hun verdiensten. Zo, bevrijd van zonden en verdiensten, verlieten ze hun lichamen ter plekke en waren zij de eersten die de Heer ontmoetten. Echter, de sereniteit en het leed die ontstaan met betrekking tot wereldlijke objecten versterken beide de indrukken van genot, d.w.z. versterken de binding aan de wereld. De voorbeelden hiervan zijn alle gewone wezens in de wereld die, verstrikt in sereniteit en leed, verward raken in de wereld.
In sereniteit en angst (leed) wordt het innerlijk wezen verzacht (vormbaar). Zoals wanneer kleur wordt gegoten in verzachtte was, die kleur permanent wordt in de was, zo ook, wanneer het innerlijk wezen is verzacht, welke indrukken dan ook—of ze nu met de Heer of met het wereldlijke te maken hebben—erin doordringen, permanent worden. Eenmaal permanent worden die indrukken de oorzaak van verheffing of ondergang. Daarom is het gepast voor een aspirant om noch opgetogen te raken bij het ontvangen van het meest aangename wereldlijke object, noch geagiteerd te raken bij het ontvangen van het meest onaangename wereldlijke object.
**Verband** – Het idee dat in de vorige twee verzen werd uitgedrukt, wordt in de volgende twee verzen verder onderbouwd door de methode van contrast.
★🔗