1.25. Commentaar – ‘Gudakeshena’ – Het woord ‘Gudakesha’ heeft twee betekenissen: (1) ‘Guda’ betekent gekruld of opgerold, en ‘kesha’ betekent haar. Hij wiens hoofdhaar gekruld is, dus krullend, wordt ‘Gudakesha’ genoemd. (2) ‘Gudaka’ betekent slaap, en ‘isha’ betekent meester. Hij die de meester is over slaap, dat wil zeggen hij die slaap kan nemen of niet – hij die controle heeft over slaap, wordt ‘Gudakesha’ genoemd. Arjuna’s haar was krullend en hij had heerschappij over slaap; daarom wordt hij ‘Gudakesha’ genoemd.
‘Eevamuktah’ – De Heer luistert naar de woorden van die toegewijde die geen slaaf is van het genot van slaap en luiheid, die geen slaaf is van zinsgenietingen, maar uitsluitend een dienaar (bhakta) van de Heer is. Niet alleen luistert Hij, maar Hij gehoorzaamt ook zijn bevel. Daarom plaatste de alwetende Heer Sri Krishna, op bevel van zijn geliefde toegewijde Arjuna, Arjuna’s strijdwagen tussen de twee legers.
‘Hrishikeshah’ – De zinnen worden ‘Hrishika’ genoemd. Hij die de meester (Isha) is van de zinnen, wordt Hrishikesha genoemd. De bedoeling van het gebruik van ‘Hrishikesha’ in het eenentwintigste vers en hier is dat Hij die de aandrijver is van de geest, het intellect, de zinnen, enz., de aanvoerder van allen, diezelfde alwetende Heer hier degene is geworden die Arjuna’s bevel gehoorzaamt! Hoe immens is Zijn genade voor Arjuna!
‘Senayorubhayormadhye sthaapayitvaa rathottamam’ – In de ruimte die leeg was tussen de twee legers, plaatste de Heer Arjuna’s uitmuntende strijdwagen.
‘Bhishmadronapramukhatah sarveshaam cha maheekshitaam’ – En met opmerkelijke vaardigheid plaatste de Heer die strijdwagen op een zodanige plek waar Arjuna voor zich zijn familiale oudere, Grootvader Bhishma, zijn leraar door de band van kennis, Acharya Drona, en de voornaamste koningen van het Kaurava-leger kon zien.
‘Uvaacha Paartha pashyaitaansamavetaankuruniti kuru’ – In het woord ‘Kuru’ zijn zowel de zonen van Dhritarashtra als de zonen van Pandu inbegrepen; omdat beiden van het Kuru-geslacht zijn. De bedoeling van ‘Zie deze verzamelde Kurus’ is dat bij het zien van deze Kurus het gevoel in Arjuna zou moeten opkomen dat wij allen één zijn! Of aan deze kant of die kant; of goed of slecht; of deugdzaam of slecht; toch zijn het allemaal mijn eigen verwanten. Bijgevolg zou de met familiale genegenheid geladen gehechtheid die verborgen lag in Arjuna wakker worden, en met het ontwaken van deze gehechtheid zou Arjuna nieuwsgierig worden, zodat Arjuna als instrument gebruikt kon worden om de grote leringen van de Gita ten behoeve van toekomstige wezens in het Kali-tijdperk te geven. Het is met deze zeer bedoeling dat de Heer hier zei: ‘Zie deze verzamelde Kurus’. Anders had de Heer kunnen zeggen: ‘Zie deze verzamelde zonen van Dhritarashtra’. Maar dat te zeggen zou een vechtlust in Arjuna hebben opgewekt; als gevolg daarvan zou de gelegenheid voor de manifestatie van de Gita niet zijn ontstaan, en de sluimerende familiale gehechtheid in Arjuna zou ook niet zijn verwijderd, wat de Heer als Zijn verantwoordelijkheid beschouwt om te verwijderen. Net zoals wanneer een zweer verschijnt, artsen eerst proberen hem te doen rijpen, en wanneer hij rijp is, hem opensnijden en reinigen; zo wekt de Heer eerst de gehechtheid die verborgen ligt in de toegewijde op en roeit hem dan uit. Hier ook wekt de Heer de in Arjuna verborgen gehechtheid op door te zeggen ‘Zie de Kurus’, die Hij later door Zijn leringen zal vernietigen.
Arjuna had gezegd: ‘Laat mij hen zien’ – ‘Nireekshe’ (1.22), ‘Avekshe’ (1.23); daarom was het niet nodig voor de Heer om hier te zeggen: ‘Pashya’ (Jij ziet). De Heer had slechts de strijdwagen moeten plaatsen. Echter, de Heer, na de strijdwagen geplaatst te hebben, zei precies ‘Zie de Kurus’ om Arjuna’s gehechtheid te wekken.
Er is een groot verschil tussen familiale genegenheid en goddelijke liefde (Bhagavat-prema). Wanneer er in de familie genegenheid is getint met bezitterigheid, overweegt men zelfs de fouten van de familie niet; integendeel, het gevoel ‘Zij zijn van mij’ blijft bestaan. Evenzo, wanneer de Heer bijzondere genegenheid heeft voor Zijn toegewijde, overweegt de Heer zelfs de fouten van de toegewijde niet; integendeel, het gevoel ‘Hij is van mij alleen’ blijft bestaan. In familiale genegenheid zijn handeling en het object (lichaam, enz.) primair, terwijl in goddelijke liefde gevoel (bhava) primair is. In familiale genegenheid is waan (moha) primair, terwijl in goddelijke liefde intimiteit (aatmeeyata) primair is. In familiale genegenheid is er duisternis, en in goddelijke liefde is er licht. In familiale genegenheid wordt een persoon nalatig in zijn plicht, terwijl in goddelijke liefde, door absorptie, er vergeetachtigheid kan zijn in het uitvoeren van plichten, maar een toegewijde wordt nooit nalatig in zijn plicht. In familiale genegenheid zijn de verwanten primair, terwijl in goddelijke liefde God primair is.
Verband – In het vorige vers zei de Heer tegen Arjuna om de Kurus te zien. Wat daarna gebeurde, wordt door Sanjaya in de volgende verzen beschreven.
★🔗