BG 1.34 — Arjuna Vishada Yoga
BG 1.34📚 Go to Chapter 1
आचार्याःपितरःपुत्रास्तथैवपितामहाः|मातुलाःश्वशुराःपौत्राःश्यालाःसम्बन्धिनस्तथा||१-३४||
ācāryāḥ pitaraḥ putrāstathaiva ca pitāmahāḥ . mātulāḥ śvaśurāḥ pautrāḥ śyālāḥ sambandhinastathā ||1-34||
आचार्याः: teachers | पितरः: fathers | पुत्रास्तथैव: sons | च: and | पितामहाः: grandfathers | मातुलाः: maternal uncles | श्वशुराः: fathers-in-law | पौत्राः: grandsons | श्यालाः: brothers-in-law | सम्बन्धिनस्तथा: relatives
GitaCentral Nederlands
Leraren, vaders, zonen, en ook grootvaders, ooms van moederszijde, schoonvaders, kleinzonen, zwagers en andere verwanten.
English
Swami Gambirananda
Swami Adidevananda
Hindi
Swami Ramsukhdas
Sanskrit
Sri Ramanuja
Sri Madhavacharya
Sri Anandgiri
Sri Jayatirtha
Sri Abhinav Gupta
Sri Madhusudan Saraswati
Sri Sridhara Swami
Sri Dhanpati
Vedantadeshikacharya Venkatanatha
Sri Purushottamji
Sri Neelkanth
Sri Vallabhacharya
Detailed Commentary
**Vertaling van de commentaar op Bhagavad Gita, hoofdstuk 1, vers 34:** Leraren, vaders, zonen, en evenzo grootvaders, ooms van moederszijde, schoonvaders, kleinzonen, zwagers en alle andere verwanten – zelfs als zij mij aanvallen, wens ik hen niet te doden, o Madhusudana! Zelfs als ik heerschappij over de drie werelden zou verkrijgen, dan nog zou ik hen niet wensen te doden; wat dan voor het bezit van deze aarde? **Commentaar:** In de toekomst, in het eenentwintigste vers van het zestiende hoofdstuk, zal de Heer zeggen dat begeerte, woede en hebzucht – deze drie zijn de poorten naar de hel. In waarheid zijn dit drie vormen van één en dezelfde begeerte. Deze drie ontstaan door belang te hechten aan wereldse objecten, personen, enz. Begeerte, dat wil zeggen verlangen, kent twee soorten activiteiten: het verkrijgen van het begeerlijke en het verwijderen van het ongewenste. Hiervan is het verkrijgen van het begeerlijke ook weer van twee soorten: accumulatie en genot. De wens om op te hopen wordt ‘hebzucht’ genoemd, en de wens om genot te ervaren wordt ‘begeerte’ genoemd. Wanneer er een obstakel is bij het verwijderen van het ongewenste, ontstaat ‘woede’ – dat wil zeggen, woede ontstaat jegens hen die het verkrijgen van genietingen of accumulatie belemmeren, of jegens hen die ons schade toebrengen, die ons lichaam trachten te vernietigen, wat leidt tot de handeling om hen die schade veroorzaken te vernietigen. Zo is vastgesteld dat men in oorlog slechts op twee manieren gemotiveerd is: voor het verwijderen van het ongewenste, dat wil zeggen om zijn ‘woede’ te vervullen, en voor het verkrijgen van het begeerlijke, dat wil zeggen om ‘hebzucht’ te bevredigen. Maar hier weerlegt Arjuna beide redenen. ‘Leraren, vaders… wat dan voor het bezit van deze aarde?’ – Zelfs als deze verwanten, in woede voor het verwijderen van hun eigen ongewenste, mij zouden aanvallen en zelfs trachten te doden, dan nog wens ik niet, in woede voor het verwijderen van mijn eigen ongewenste, hen te doden. Zelfs als zij, in hebzucht voor het verkrijgen van hun eigen begeerlijke, begerig naar het koninkrijk, mij zouden trachten te doden, dan nog wens ik niet, in hebzucht voor het verkrijgen van mijn eigen begeerlijke, hen te doden. De betekenis is dat ik, door toe te geven aan woede en hebzucht, niet de poorten naar de hel wens te kopen. Door het woord ‘zelfs’ (api) hier tweemaal te gebruiken, is Arjuna’s bedoeling: Ik belemmer hun eigenbelang niet eens, dus waarom zouden zij mij doden? Maar stel, met de gedachte ‘hij belemmerde eerst ons eigenbelang’, zijn zij vastbesloten mijn lichaam te vernietigen, zelfs dan (zelfs als aangevallen) wens ik hen niet te doden. Ten tweede, door hen te doden, als ik heerschappij over de drie werelden zou verkrijgen – dit is niet eens een mogelijkheid – maar stel dat door hen te doden ik heerschappij over de drie werelden zou verkrijgen, zelfs dan (zelfs omwille van heerschappij over de drie werelden) wens ik hen niet te doden. ‘Madhusudana’ – De betekenis van deze aanspreekvorm is: U bent de doder van demonen, maar zijn deze leraren zoals Drona en grootvaders zoals Bhishma dan demonen, dat ik zou wensen hen te doden? Zij zijn onze zeer naaste en dierbare verwanten. ‘Leraren’ – Onder deze verwanten, zij zoals Dronacharya, met wie wij een relatie van leren en welzijn hebben – zulke eerbiedwaardige leraren – zou ik hen moeten dienen of met hen moeten vechten? Men zou zichzelf, zelfs het eigen leven, aan de voeten van de leraar moeten aanbieden. Dat alleen is gepast voor ons. ‘Vaders’ – Gezien de lichamelijke relatie, zijn deze vaders dezelfde vorm die dit lichaam van ons is. Hun vorm geworden zijnde door dit lichaam, hoe kunnen wij, toegevend aan woede of hebzucht, die vaders van ons doden? ‘Zonen’ – De zonen van ons en onze broers zijn geheel waardig om gekoesterd te worden. Zelfs als zij tegen ons handelen, dan nog is het koesteren van hen onze eigen dharma. ‘Grootvaders’ – Evenzo, zij die grootvaders zijn, aangezien zij eerbiedwaardig zijn zelfs voor onze vaders, zijn zeker oppersteerbiedwaardig voor ons. Zij kunnen ons berispen, zij kunnen ons zelfs slaan. Maar onze inspanning zou zo moeten zijn dat zij geen enkel soort verdriet of leed ondergaan; integendeel, zij zouden geluk, comfort moeten hebben en dienstbaarheid moeten ontvangen. ‘Ooms van moederszijde’ – Zij die onze ooms van moederszijde zijn, zijn de broers van de moeders die ons hebben gekoesterd en grootgebracht. Daarom zouden zij zoals moeders vereerd moeten worden. ‘Schoonvaders’ – Deze, onze schoonvaders, zijn de eerbiedwaardige vaders van mijn en mijn broers’ vrouwen. Daarom zijn zij ook gelijk aan vaders voor ons. Hoe zou ik kunnen wensen hen te doden? ‘Kleinzonen’ – De zonen van onze zonen zijn nog meer waardig om gekoesterd en verzorgd te worden dan zonen. ‘Zwagers’ – Zij die onze zwagers zijn, zijn ook de dierbare broers van onze vrouwen. Hoe zouden zij gedood kunnen worden! ‘Verwanten’ – Al deze verwanten die hier gezien worden, en alle andere verwanten daarnaast – zouden zij gekoesterd, verzorgd en gediend moeten worden, of zouden zij gedood moeten worden? Zelfs als wij door hen te doden heerschappij over de drie werelden zouden verkrijgen, zou het dan gepast zijn hen te doden? Hen te doden is geheel en al onjuist. **Verband:** In het vorige vers verklaarde Arjuna twee redenen voor het niet doden van verwanten. Nu stelt hij, ook vanuit het perspectief van het gevolg, vast dat verwanten niet gedood moeten worden.