BG 2.1 — Sankhya Yoga
BG 2.1📚 Go to Chapter 2
सञ्जयउवाच|तंतथाकृपयाविष्टमश्रुपूर्णाकुलेक्षणम्|विषीदन्तमिदंवाक्यमुवाचमधुसूदनः||२-१||
sañjaya uvāca . taṃ tathā kṛpayāviṣṭamaśrupūrṇākulekṣaṇam . viṣīdantamidaṃ vākyamuvāca madhusūdanaḥ ||2-1||
सञ्जय: Sanjaya | उवाच: spoke | तं: to him | तथा: thus | कृपयाविष्टमश्रुपूर्णाकुलेक्षणम्: overcome with pity | विषीदन्तमिदं: despondent | वाक्यमुवाच: speech | मधुसूदनः: Madhusudana (the destroyer of Madhu)
GitaCentral Nederlands
Sanjaya zei — Aldus, tot Arjuna die was overmand door mededogen en vertwijfeling, met ogen vol tranen en ontdaan, sprak Madhusudana deze woorden.
🙋 Nederlands Commentary
Sanjaya zei: Tot hem die zo door medelijden overmand en neerslachtig was, met ogen vol tranen en verward, sprak Madhusudana (Krishna) deze woorden. Woordbetekenissen: Tam (tot hem), Tatha (zo), Kripaya (met medelijden), Avistam (overmand), Ashrupurnakulekshanam (met ogen vol tranen en verward), Vishidantam (neerslachtig), Idam (dit), Vakyam (woorden), Uvacha (sprak), Madhusudanah (Madhusudana).
English
Swami Gambirananda
Swami Adidevananda
Hindi
Swami Ramsukhdas
Sanskrit
Sri Ramanuja
Sri Madhavacharya
Sri Anandgiri
Sri Jayatirtha
Sri Abhinav Gupta
Sri Madhusudan Saraswati
Sri Sridhara Swami
Sri Dhanpati
Vedantadeshikacharya Venkatanatha
Sri Purushottamji
Sri Neelkanth
Sri Vallabhacharya
Detailed Commentary
Sanjaya zei: Tot Arjuna, die aldus overmand was door zulk een lafhartigheid, die vol verdriet was en wiens zicht werd belemmerd door tranen, sprak Heer Madhusudana deze (volgende) woorden. Commentaar: 'Tot hem die aldus overmand was door mededogen' — Arjuna, gezeten in de strijdwagen, geeft dit bevel aan de Heer, die aanwezig is als zijn wagenmenner: "O Achyuta! Plaats mijn strijdwagen tussen de twee legers, opdat ik mag zien wie bereid zijn met mij te vechten in deze oorlog?" Dat wil zeggen, welke krijgers hebben de moed om naar voren te komen en te vechten aan de zijde van een held als ik? Hoe vonden zij de dapperheid om tegen mij te vechten, zelfs met de dood in het gezicht? Dezelfde Arjuna, die zulk een enthousiasme en moed voor de strijd bezat, werd zo door verdriet overmand en verblind door de angst dat zijn verwanten zouden sterven bij het aanschouwen van hen in beide legers, dat zijn lichaam verzwakt, zijn mond uitdroogt, zijn lichaam beeft, zijn haar te berge rijst, de boog uit zijn hand glijdt, zijn huid brandt, hij zelfs de kracht om te staan heeft verloren en zijn geest verward is. Enerzijds is daar Arjunas inherente natuur van 'noch zachtaardigheid noch vlucht', en anderzijds zit hier Arjuna, geplaagd door de fout van lafhartigheid en verdriet, neer in het midden van de strijdwagen! Met grote verbazing drukt Sanjaya juist deze gevoelens uit door de voornoemde woorden. Zelfs in het achtentwintigste vers van het eerste hoofdstuk gebruikte Sanjaya de woorden 'overmand door intens mededogen' voor Arjuna. 'Wiens ogen bedroefd waren en vol tranen' — Zelfs in een groot held als Arjuna heeft de familie-illusie de overhand gekregen en hebben tranen zijn ogen gevuld! Zoveel tranen zijn opgewellen dat hij niet goed kan zien door zijn ogen. 'Tot hem die vol verdriet was, sprak Madhusudana deze rede' — Tot Arjuna, die aldus vol verdriet was door lafhartigheid, sprak Heer Madhusudana deze (in het tweede en derde vers te vermelden) woorden. Hier had simpelweg 'sprak tot de bedroefde' voldoende kunnen zijn; er was geen noodzaak om 'deze rede' te zeggen; omdat het woord 'rede' inherent is opgenomen binnen het werkwoord 'sprak'. Toch is het doel van het gebruik van het woord 'rede' dat deze uiting, deze toespraak van de Heer, buitengewoon is. Het is een directe slag tegen het kwaad van het verlaten van de plicht dat over Arjuna was gekomen onder het mom van dharma. Het is dat wat beroering veroorzaakt in Arjuna's besluit om de strijd te staken. Het is dat wat Arjuna bewust maakt van zijn fout en in hem het onderzoek naar zijn eigen welzijn ontwaakt. Het is door de invloed van deze diepzinnige rede dat Arjuna het discipelschap aan de Heer aanvaardt en zijn toevlucht tot Hem neemt (2.7). De implicatie van Sanjayas gebruik van het woord 'Madhusudana' is dat Heer Shri Krishna de doder is van de demon genaamd Madhu, wat betekent dat Hij de vernietiger is van hen met een slechte natuur. Daarom zal Hij niet rusten zonder de vernietiging te bewerkstelligen van hen met een slechte natuur zoals Duryodhana en anderen. Verband: Welke woorden de Heer tot Arjuna sprak — dit wordt vermeld in de volgende twee verzen.